Klankonderscheiding:

Veel klanken lijken veel meer op elkaar dan wij volwassenen ons realiseren. Zo is voor een gemiddelde kleuter het verschil tussen de p, de d en de b niet of nauwelijks hoorbaar. En als je het verschil niet hoort, hoe leer je dan straks de juiste fonemen (letters) aan de juiste klanken koppelen? Door de kinderen de drie kenmerken van onze klanken te leren. 

Tik ‘m door
-hele groep
-kring
-geen materiaal 
Zittend in de kring geef je één, twee of drie klanken met een tikje van de
hand door op de knie van je buurman/buurvrouw. Die geeft het met de
andere hand door aan zijn/haar buurman/buurvrouw. Alle klanken gaan
dezelfde kant op. Om de oefening lastiger te maken verander je af en
toe de richting waarin de klanken worden doorgegeven.

Klankknijpen
-hele groet
-kring
-geen materiaal 
Vorm met de kinderen een kring en geef elkaar een hand. Geef nu, met
een kneepje in diens hand, een klank door aan je buurman of vrouw.
Je spreekt de klank daarbij synchroon, hardop uit. Geef maximaal drie
klanken aan de kring door.

Een rondje klanken
-hele groep of klein groepje
-lokaal, plein of speellokaal
-materiaal: klankkaarten of klankplaatjes
De kinderen staan naast elkaar in een rij. Iedereen heeft een (bekende)
klankkaart of klankplaatje zichtbaar voor de borst. De leerling die
helemaal links staat loopt voor de rij kinderen langs en ‘leest’ alle klanken
hardop voor. Hij/zij sluit rechts weer aan. Dan kan de volgende meest
links staande leerling gaan lopen en lezen. Als iedereen aan de beurt is
geweest is het spel afgelopen.

Hoe klink ik?
-hele groep of klein groepje
-kring
-materiaal: klankpplaatjes en een haarband of hoed
Zet een (bekend) klankplaatje op een kroon, haarband of hoed bij een
van de kinderen op het hoofd. Deze leerling mag het klankplaatje niet
zien. De andere kinderen mogen nu vertellen over de klank waardoor de
leerling kan raden om welke klank het gaat.

Schipper mag ik overvaren?
-hele groep of klein groepje
-plein of speellokaal
-materiaal: niets
Speel het spel zoals het anders ook gespeeld wordt, maar nu mogen
de kinderen ‘overvaren’ bij de juiste klank. De schipper zegt een reeks
verschillende klanken en als hij of zij de doelklank zegt, mogen alle
kinderen gaan lopen (overvaren).

Ren je rot
-hele groep
-plein of speellokaal
-materiaal: klankplaatjes en hoepels
Leg in de gymzaal of buiten een aantal hoepels, niet te dicht bij elkaar
op de grond. Leg in elke hoepel één klankkaart en bespreek samen
met de kinderen waar welke klanken liggen. Herhaal eventueel de
klankkenmerken. Nu ga je allemaal bij elkaar (eventueel achter een
streep) staan. Noem een klank en de leerlingen rennen zo snel ze kunnen
naar de hoepel waar deze klank ligt. Zodra iedereen staat zeggen ze
de klank hardop. Staan er kinderen bij een andere hoepel, dan kun je
eventueel ook deze klank benoemen en de verschillen met de doelklank
bespreken.

Klankenparcours
-hele groep
-plein of speellokaal
-materiaal: hoepels en klankkaarten
Leg tenminste vier rijen van vier tot zes hoepels in de gymzaal of buiten.
Verdeel de kinderen over deze rijen. Elk groepje krijgt klankkaarten die ze
zelf mogen verdelen over de hoepels. In elke hoepel komt één klankkaart.
Vervolgens lopen de leerlingen, waarbij ze hardop synchroon de klank
uitspreken, de rij af. Dit doen ze om de beurt. Na een paar minuten
schuiven de groepen door naar de volgende rij, die ze vervolgens op
dezelfde manier gaan ‘aflopen’.

Ik ben de b!
-hele groep
-plein of speellokaal
-materiaal: niets
Bijna alle klanken/letters kunnen we met ons lichaam maken. De p
maken we bijvoorbeeld door rechtop te staan met de rechterarm langs
het lichaam en de linker als het boogje van de p, door je vingertoppen
tegen je slaap te houden (let op het spiegelbeeld als je het voordoet)
Het poortje van de b maak je met je rechterbeen en bij de m vormen
je armen de twee poortjes. Op youtube vind je veel voorbeelden en je
kunt natuurlijk ook zelf bedenken hoe je de letters wilt maken. Laat aan
de kinderen zien hoe het moet.
Als klankonderscheiding-oefening noem jij een aantal klanken en bij de
afgesproken doelklank gaan de kinderen allemaal als klank staan/liggen/
zitten en daarbij spreken ze hem hardop uit.

Ik hoor de m!
-hele groep of klein groepje
-plein of speellokaal
-materiaal: niets
Bedenk samen met de kinderen een klank waar ze op gaan reageren.
Spreek vervolgens een signaal af waarmee ze dat doen. Bijvoorbeeld
een klap in de handen, stampen met de voeten, opstaan, of “Ja!”
roepen. Noem daarna een aantal klanken achter elkaar. Bij de
afgesproken klank mag het afgesproken teken worden gegeven.
Je kunt ook een klank van de dag of week afspreken. Gedurende de dag
of week noem je dan op geschikte momenten zomaar een of meerdere
klanken, waarbij de kinderen alleen bij de juiste klank het teken mogen
geven.

Zoek de verschillen
-hele groep of klein groepje
-lokaal, plein of speellokaal
-materiaal: klankkaarten
Neem de klankkaart van de doelklank en laat de kinderen met behulp
van de klankkaarten, een andere klank erbij zoeken waarbij één
klankkenmerk anders is. Bijvoorbeeld:
b: Zoek de klank die bijna hetzelfde is, maar die stemloos is (p)
b: Zoek de klank die bijna hetzelfde is, maar die je lang kunt maken (m)
t: Zoek de klank die bijna hetzelfde is, maar die stemhebbend is (d)
d: Zoek de klank die bijna hetzelfde is, maar die je lang kunt maken (l, n)
v: Zoek de klank die bijna hetzelfde is, maar die kort is (w)