Rijmen
“In het rijmen ligt de basis van ons klankbewustzijn. Als een kind kan rijmen heeft het voor het eerst door dat woorden niet alleen betekenis hebben, maar ook een vorm.”
(bron; VOX; 26-11-2012; onderzoek van Barbara Wagensveld , biologe en hersenwetenschapper)
Rijmen is dus belangrijk voor het leren lezen. Bij rijmen leren kinderen spelen met klanken in woorden en ervaren ze dat woorden op elkaar kunnen lijken. Het kunnen herkennen van rijm geeft aan dat kinderen niet alleen betekenis van woorden herkennen, maar ook de vorm en de vormverschillen. Het kind kan zich nu dus richten op klanken en klankverschillen in een taal. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat kinderen die goed klanken kunnen herkennen en dus ook goed kunnen rijmen, later minder moeite met het leren lezen zullen hebben.
Kunnen herkennen van klankverschillen in woorden is nog niet zo eenvoudig. Hiervoor hebben kinderen een goed klankbewustzijn nodig. Wanneer wij klankverschillen in het Chinese woorden willen waarnemen, blijkt pas hoe moeilijk het is. De basis van kunnen rijmen ligt dan ook in een goed klankbewustzijn; de vaardigheid die we juist met het Programma Fonemisch Bewustzijn spelenderwijs aanleren en versterken.
We onderscheiden verschillende vormen van rijm;
* eindrijm; herkennen en toepassen
* beginrijm; herkennen en toepassen
Consolideren rijmen: herkennen van eindrijm
- Ren je rot
Alle kinderen staan op een rij tegen de muur van het gymlokaal of een buitenmuur van het schoolplein. De leerkracht staat ervoor en zegt steeds 2 woorden; wanneer de woorden rijmen, mogen de kinderen zo snel mogelijk naar de andere kant rennen. Rijmen de woorden niet, dan blijven de kinderen staan.
Variatie;
- bij 2 woorden die rijmen mag je 2 grote stappen naar voren doen
- geef steeds 3 woorden; wanneer er maar 2 woorden rijmen mag je 2 stappen doen, wanneer de 3 woorden rijmen, mag je 3 stappen naar voren doen
- Ik hoor het rijmwoord!
Teken 2 grote cirkels op het plein, waar de groep samen in kan staan. In de ene cirkel teken je een grote duim omhoog (goed), in de andere cirkel een grote duim naar beneden (fout).
Laat alle leerlingen op een rij tegen de muur staan. Gebruik nu 1 plaatje met een mkm-woord erop (huis, tak, mes enz.). Benoem het woord. Houd deze plaat voor je buik vast.
Vervolgens geef je de opdracht dat je een rijmwoord bij het plaatje gaat zeggen; is het een goed rijmwoord, dan mogen de kinderen naar de cirkel met duim omhoog, is het fout, dan mogen ze naar de cirkel met de duim omlaag.
Variatie;
- in de klas; kinderen doen de duim omhoog of duim naar beneden
- laat af en toe een leerling leerkracht zijn
- Tot morgen zonder zorgen!
De leerkracht laat een plaatje zien van een mkm-woord en benoemt deze hardop. Wanneer de kinderen naar huis gaan, mogen ze opstaan en naar buiten gaan en daarbij een high five aan de leerkracht geven. De leerkracht geeft steeds een ander rijmwoord op het aangeboden woord .
Variatie;
- high five; de leerkracht staat bij de deur en alle leerlingen zeggen zelf eerst het aangeboden woord van het plaatje en dan een high five aan de leerkracht waarbij de leerkracht een nieuw rijmwoord zegt
Toepassen van eindrijm
- Mag het rijmtreintje rijden?
Maak een paar groepjes van je klas; elk groepje vormt 1 treintje, door achter elkaar te gaan staan. De voorste leerling is de machinist. Zet pionnen neer als verschillende stationnetjes; elke treintje staat bij een pion/station.
De leerkracht geeft een beginwoord aan. Elke treintje mag via de machinist een rijmwoord aangeven; is het rijmwoord goed, dan mag het treintje tot het volgende stationnetje doorrijden. Is het rijmwoord niet goed, dan blijft het treintje staan. De machinist sluit nu weer achter aan en de leerling die nu vooraan staat is de machinist.
Variatie;
- leg bij elk stationnetje een klankkaart. Zet de treintjes op een rij bij de muur. Geef nu een start woord aan. Eén treintje mag gaan rijden en bij elk stationnetje benoemen ze de klankplaat en maken met de klank het nieuwe rijmwoord. Zo mag dit treintje alle stationnetjes af. Daarna komt er een nieuw woord en mag het andere treintje.
- De rijmballon vliegt door de lucht!
Gebruik hiervoor een grote, vrij stevige ballon. Verdeel de groep in een aantal groepjes van ongeveer 4 – 6 leerlingen. Elk groepje heeft een eigen ballon. De leerkracht geeft een mkm-woord aan. De leerlingen krijgen allen even bedenktijd om een rijmwoord zelf te bedenken. Vervolgens mag de ballon worden overgetikt van de ene leerling naar de andere; bij het overtikken moet de leerling het rijmwoord hardop zeggen.
Variatie;
- met een pittenzak overgooien
- doortikken in de kring; bij het doortikken moet een nieuw rijmwoord worden gezegd
- in tweetallen; slaan op een boksbal waarbij bij elke slag een rijmwoord genoemd moet worden
- Draaien maar!
Gebruik hiervoor de draaischijf waarop je zelf letters kunt schrijven of de draaischijf van PimPamPet, maar waarbij de hoofdletters vervangen zijn door de kleine letters.
De leerkracht laat een plaatje van een mkm woord zien; benoem dit woordje hardop. Vervolgens mag een leerling draaien aan de draaischijf; de letter die gedraaid is wordt hardop benoemt en vervolgens wordt hiermee het rijmwoordje gemaakt.
Variatie;
- laat bij het rijmwoordje ook benoemen of het een echt woordje (bestaand) is of een onzin of fantatie (niet bestaand) woordje is
- wanneer er meer draaischijven beschikbaar zijn, dan kan dit ook in kleine groepjes gedaan worden
- Tot morgen zonder zorgen!
Wanneer de kinderen naar huis gaan, mogen ze opstaan en naar buiten gaan wanneer ze een rijmwoord bedacht hebben bij het aangegeven woord.
Variatie;
- high five in tweetallen; de leerlingen bedenken in tweetallen een rijmwoord en middels een high five aan elkaar gevend met daarbij het rijmwoord hardop uitsprekend, mogen ze naar buiten
- high five; de leerkracht staat bij de deur en alle leerlingen geven een high five aan de leerkracht en zeggen daarbij een rijmwoord hardop
Herkennen van beginrijm
- Slome slak snapt het snel!
Alle leerlingen zitten in de kring. Kies een doelklank uit die centraal staat en pak hierbij de klankkaart groot erbij. Geef nu aan dat je steeds een woordje zegt, waarbij je de eerste klank extra lang aanhoudt. Wanneer je een woordje zegt met de doelklank vooraan, dan mogen de kinderen de duimen omhoog doen. Zeg je een woordje met een andere doelklank vooraan, dan doen ze de duim naar beneden.
Variatie;
- bij een woord met de juiste doelklank gaan de kinderen staan, bij een foute blijven ze zitten
- de kinderen mogen naar buiten zodra er een woord met de juiste doelklank is genoemd
- zoek elkaar op
Gebruik hiervoor rijmkaartjes van beginrijm van materialen die je in de kast hebt staan. Geef elke leerling 1 kaartje. Zet de muziek aan en laat de kinderen door de klas lopen met de opdracht dat ze iemand ( 1 of meer) moeten gaan zoeken, die een plaatje/woordje heeft met dezelfde beginklank begint. Zodra ze elkaar gevonden hebben vormen ze een paar of drietal.
- weet jij wat ik hoor?
Leg 2 (of meer) klankkaarten goed zichtbaar voor alle leerlingen in de kring neer. Benoem hardop welke klanken het zijn. Vervolgens zegt de leerkracht 1 zin, waarbij 1 van de klanken die centraal staan, als beginrijm wordt gebruikt;
– leentje leerde lotje lopen langs de lange lindelaan
-slome slak slimpie slijmt steeds
– kater karel krabt alle krullen van kim kapot
De leerlingen moeten zo ontdekken welke klank steeds als beginrijm is gebruikt.
Toepassen van beginrijm
- die hoort bij mij!
4 leerlingen krijgen elk een klankkaart met een medeklinker. Zet deze leerlingen op een rij. Benoem de klanken. Vervolgens mogen alle andere leerlingen een voorwerp in de klas opzoeken met 1 van de vier beginklanken. Wanneer alle leerlingen een voorwerp gevonden hebben en weer in de kring zitten, benoemt elke leerling het voorwerp om de beurt. De 4 leerlingen met de klankkaarten luisteren goed en roepen “die hoort bij mij” zodra het een woord met de beginklank van zijn klankkaart is. De leerling mag het voorwerp voor die leerling neerleggen. Wanneer alle voorwerpen liggen, “leest” de leerling met de klankkaart alle voorwerpen die bij hem zijn neergelegd, hardop voor.
Variatie;
- de leerlingen zoeken een voorwerp en leggen die direct bij de juiste klankkaart neer. Daarna benoemt de leerling met de klankkaart alle voorwerpen die bij hem zijn neergelegd. Klopt het?
- lang leve lange zinnen!
Begin met het aangeven van een bijvoeglijk naamwoord, bv. LEUK. Ontdek samen met de kinderen dat de beginklank de l is. Start nu een zin met een naam met de l, bv. Loes vindt………… leuk. Nu bedenkt elke leerling een woord dat èn leuk kan zijn èn met de l begint. Door deze 2 woorden in de zin te plakken, worden er steeds nieuwe beginrijm zinnen gemaakt. Enkele vb.;
Loes vindt leuke laarzen leuk.
Loes vindt leuke luiers leuk.
Loes vindt leuke Leo leuk.
Variatie;
- de zinnen uitbreiden door leuke èn lelijke ……. ervan te maken; vb.
Loes vindt leuke en lelijke laarzen leuk.
